“Ik denk niet dat ik het kan.”
Ze schudde haar hoofd.
Twee dagen eerder was haar man plotseling overleden. Zij bleef achter, samen met hun twee jonge kinderen. Ik was bij hen thuis om zoveel mogelijk over hem te horen en om samen na te denken over de afscheidsceremonie.
Ze werd overspoeld. Door het donker, door het verdriet, door alles wat ineens ‘moest’. Misschien zou ze wel woorden kunnen vinden, maar ze daadwerkelijk uitspreken was iets anders.
In de dagen erna schreef ze een prachtige tekst. Van haar aan hem. We bespraken de mogelijkheden. Ze zou de woorden vooraf in kunnen spreken zodat we ze tijdens het afscheid konden laten horen. Iemand anders zou ze uit kunnen spreken namens haar. Ze kon het zelf proberen en ik kon het eventueel overnemen. Er kon veel. Ze bleef twijfelen. Bij aanvang van de ceremonie had ze haar besluit nog niet genomen.
We maakten een afspraak, zij en ik. Tijdens het afscheid zou ze de knoop doorhakken. Dan zou ze beslissen wat ze wilde. Wat ze kon. Als het moment daar was, zou ze óf naar me knikken óf haar hoofd schudden. Dat was ons teken.
Ik leidde haar woorden in. Zij keek mij aan, ik keek haar aan.
Ze knikte.
Vastbesloten kwam naar ze voren. Ze sprak. En hoe. Ze deed het fantastisch. Achteraf zei ze: “Ik voelde ineens dat ik het moest doen.”
Ze kon het.
En óf ze het kon.

